NL.png aanbeteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • aanbeteren

O.t.t. (Present)

  • beterde aan
  • beterde aan
  • beterde aan
  • beterde aan
  • beterden aan
  • beterden aan
  • beterden aan
 

O.v.t. (Past)

  • zal aanbeteren
  • zult aanbeteren
  • zal aanbeteren
  • zult aanbeteren
  • zult aanbeteren
  • zullen aanbeteren
  • zullen aanbeteren

O.t.t.t. (Future)

  • was aangebeterd
  • was aangebeterd
  • was aangebeterd
  • was aangebeterd
  • waren aangebeterd
  • waren aangebeterd
  • waren aangebeterd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben aangebeterd
  • bent aangebeterd
  • is aangebeterd
  • bent aangebeterd
  • zijn aangebeterd
  • zijn aangebeterd
  • zijn aangebeterd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal aangebeterd zijn
  • zult aangebeterd zijn
  • zal aangebeterd zijn
  • zult aangebeterd zijn
  • zult aangebeterd zijn
  • zullen aangebeterd zijn
  • zullen aangebeterd zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou aangebeterd zijn
  • zou aangebeterd zijn
  • zou aangebeterd zijn
  • zou aangebeterd zijn
  • zouden aangebeterd zijn
  • zouden aangebeterd zijn
  • zouden aangebeterd zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •