NL.png overeenkomen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • overeenkomen

O.t.t. (Present)

  • kwam overeen
  • kwam overeen
  • kwam overeen
  • kwam overeen
  • kwamen overeen
  • kwamen overeen
  • kwamen overeen
 

O.v.t. (Past)

  • zal overeenkomen
  • zult overeenkomen
  • zal overeenkomen
  • zult overeenkomen
  • zult overeenkomen
  • zullen overeenkomen
  • zullen overeenkomen

O.t.t.t. (Future)

  • was overeengekomen
  • was overeengekomen
  • was overeengekomen
  • was overeengekomen
  • waren overeengekomen
  • waren overeengekomen
  • waren overeengekomen
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben overeengekomen
  • bent overeengekomen
  • is overeengekomen
  • bent overeengekomen
  • zijn overeengekomen
  • zijn overeengekomen
  • zijn overeengekomen

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal overeengekomen zijn
  • zult overeengekomen zijn
  • zal overeengekomen zijn
  • zult overeengekomen zijn
  • zult overeengekomen zijn
  • zullen overeengekomen zijn
  • zullen overeengekomen zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou overeengekomen zijn
  • zou overeengekomen zijn
  • zou overeengekomen zijn
  • zou overeengekomen zijn
  • zouden overeengekomen zijn
  • zouden overeengekomen zijn
  • zouden overeengekomen zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •