PASSO DA QUI
NL.png wonen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • wonen

O.t.t. (Present)

  • woonde
  • woonde
  • woonde
  • woonde
  • woonden
  • woonden
  • woonden
 

O.v.t. (Past)

  • zal wonen
  • zult wonen
  • zal wonen
  • zult wonen
  • zult wonen
  • zullen wonen
  • zullen wonen

O.t.t.t. (Future)

  • had gewoond
  • had gewoond
  • had gewoond
  • had gewoond
  • hadden gewoond
  • hadden gewoond
  • hadden gewoond
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewoond
  • hebt gewoond
  • heeft gewoond
  • hebt gewoond
  • hebben gewoond
  • hebben gewoond
  • hebben gewoond

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewoond hebben
  • zult gewoond hebben
  • zal gewoond hebben
  • zult gewoond hebben
  • zult gewoond hebben
  • zullen gewoond hebben
  • zullen gewoond hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewoond hebben
  • zou gewoond hebben
  • zou gewoond hebben
  • zou gewoond hebben
  • zouden gewoond hebben
  • zouden gewoond hebben
  • zouden gewoond hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •