PASSO DA QUI
NL.png wijzen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • wijzen

O.t.t. (Present)

  • wees
  • wees
  • wees
  • wees
  • wezen
  • wezen
  • wezen
 

O.v.t. (Past)

  • zal wijzen
  • zult wijzen
  • zal wijzen
  • zult wijzen
  • zult wijzen
  • zullen wijzen
  • zullen wijzen

O.t.t.t. (Future)

  • had gewezen
  • had gewezen
  • had gewezen
  • had gewezen
  • hadden gewezen
  • hadden gewezen
  • hadden gewezen
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewezen
  • hebt gewezen
  • heeft gewezen
  • hebt gewezen
  • hebben gewezen
  • hebben gewezen
  • hebben gewezen

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewezen hebben
  • zult gewezen hebben
  • zal gewezen hebben
  • zult gewezen hebben
  • zult gewezen hebben
  • zullen gewezen hebben
  • zullen gewezen hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewezen hebben
  • zou gewezen hebben
  • zou gewezen hebben
  • zou gewezen hebben
  • zouden gewezen hebben
  • zouden gewezen hebben
  • zouden gewezen hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gewezen
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gewezen
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gewezen worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gewezen worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gewezen
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gewezen
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gewezen zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gewezen zijn
  •