PASSO DA QUI
NL.png werken

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • werken

O.t.t. (Present)

  • werkte
  • werkte
  • werkte
  • werkte
  • werkten
  • werkten
  • werkten
 

O.v.t. (Past)

  • zal werken
  • zult werken
  • zal werken
  • zult werken
  • zult werken
  • zullen werken
  • zullen werken

O.t.t.t. (Future)

  • had gewerkt
  • had gewerkt
  • had gewerkt
  • had gewerkt
  • hadden gewerkt
  • hadden gewerkt
  • hadden gewerkt
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewerkt
  • hebt gewerkt
  • heeft gewerkt
  • hebt gewerkt
  • hebben gewerkt
  • hebben gewerkt
  • hebben gewerkt

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewerkt hebben
  • zult gewerkt hebben
  • zal gewerkt hebben
  • zult gewerkt hebben
  • zult gewerkt hebben
  • zullen gewerkt hebben
  • zullen gewerkt hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewerkt hebben
  • zou gewerkt hebben
  • zou gewerkt hebben
  • zou gewerkt hebben
  • zouden gewerkt hebben
  • zouden gewerkt hebben
  • zouden gewerkt hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •