PASSO DA QUI
NL.png wachten

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • wachten

O.t.t. (Present)

  • wachtte
  • wachtte
  • wachtte
  • wachtte
  • wachtten
  • wachtten
  • wachtten
 

O.v.t. (Past)

  • zal wachten
  • zult wachten
  • zal wachten
  • zult wachten
  • zult wachten
  • zullen wachten
  • zullen wachten

O.t.t.t. (Future)

  • had gewacht
  • had gewacht
  • had gewacht
  • had gewacht
  • hadden gewacht
  • hadden gewacht
  • hadden gewacht
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewacht
  • hebt gewacht
  • heeft gewacht
  • hebt gewacht
  • hebben gewacht
  • hebben gewacht
  • hebben gewacht

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewacht hebben
  • zult gewacht hebben
  • zal gewacht hebben
  • zult gewacht hebben
  • zult gewacht hebben
  • zullen gewacht hebben
  • zullen gewacht hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewacht hebben
  • zou gewacht hebben
  • zou gewacht hebben
  • zou gewacht hebben
  • zouden gewacht hebben
  • zouden gewacht hebben
  • zouden gewacht hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •