PASSO DA QUI
NL.png dansen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • dansen

O.t.t. (Present)

  • danste
  • danste
  • danste
  • danste
  • dansten
  • dansten
  • dansten
 

O.v.t. (Past)

  • zal dansen
  • zult dansen
  • zal dansen
  • zult dansen
  • zult dansen
  • zullen dansen
  • zullen dansen

O.t.t.t. (Future)

  • had gedanst
  • had gedanst
  • had gedanst
  • had gedanst
  • hadden gedanst
  • hadden gedanst
  • hadden gedanst
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedanst
  • hebt gedanst
  • heeft gedanst
  • hebt gedanst
  • hebben gedanst
  • hebben gedanst
  • hebben gedanst

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedanst hebben
  • zult gedanst hebben
  • zal gedanst hebben
  • zult gedanst hebben
  • zult gedanst hebben
  • zullen gedanst hebben
  • zullen gedanst hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedanst hebben
  • zou gedanst hebben
  • zou gedanst hebben
  • zou gedanst hebben
  • zouden gedanst hebben
  • zouden gedanst hebben
  • zouden gedanst hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •