PASSO DA QUI
NL.png meriteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • meriteren

O.t.t. (Present)

  • meriteerde
  • meriteerde
  • meriteerde
  • meriteerde
  • meriteerden
  • meriteerden
  • meriteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal meriteren
  • zult meriteren
  • zal meriteren
  • zult meriteren
  • zult meriteren
  • zullen meriteren
  • zullen meriteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemeriteerd
  • had gemeriteerd
  • had gemeriteerd
  • had gemeriteerd
  • hadden gemeriteerd
  • hadden gemeriteerd
  • hadden gemeriteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemeriteerd
  • hebt gemeriteerd
  • heeft gemeriteerd
  • hebt gemeriteerd
  • hebben gemeriteerd
  • hebben gemeriteerd
  • hebben gemeriteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemeriteerd hebben
  • zult gemeriteerd hebben
  • zal gemeriteerd hebben
  • zult gemeriteerd hebben
  • zult gemeriteerd hebben
  • zullen gemeriteerd hebben
  • zullen gemeriteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemeriteerd hebben
  • zou gemeriteerd hebben
  • zou gemeriteerd hebben
  • zou gemeriteerd hebben
  • zouden gemeriteerd hebben
  • zouden gemeriteerd hebben
  • zouden gemeriteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemeriteerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemeriteerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemeriteerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemeriteerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemeriteerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemeriteerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemeriteerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemeriteerd zijn
  •