PASSO DA QUI
NL.png meesteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • meesteren

O.t.t. (Present)

  • meesterde
  • meesterde
  • meesterde
  • meesterde
  • meesterden
  • meesterden
  • meesterden
 

O.v.t. (Past)

  • zal meesteren
  • zult meesteren
  • zal meesteren
  • zult meesteren
  • zult meesteren
  • zullen meesteren
  • zullen meesteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemeesterd
  • had gemeesterd
  • had gemeesterd
  • had gemeesterd
  • hadden gemeesterd
  • hadden gemeesterd
  • hadden gemeesterd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemeesterd
  • hebt gemeesterd
  • heeft gemeesterd
  • hebt gemeesterd
  • hebben gemeesterd
  • hebben gemeesterd
  • hebben gemeesterd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemeesterd hebben
  • zult gemeesterd hebben
  • zal gemeesterd hebben
  • zult gemeesterd hebben
  • zult gemeesterd hebben
  • zullen gemeesterd hebben
  • zullen gemeesterd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemeesterd hebben
  • zou gemeesterd hebben
  • zou gemeesterd hebben
  • zou gemeesterd hebben
  • zouden gemeesterd hebben
  • zouden gemeesterd hebben
  • zouden gemeesterd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemeesterd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemeesterd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemeesterd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemeesterd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemeesterd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemeesterd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemeesterd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemeesterd zijn
  •