PASSO DA QUI
NL.png mastieken

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • mastieken

O.t.t. (Present)

  • mastiekte
  • mastiekte
  • mastiekte
  • mastiekte
  • mastiekten
  • mastiekten
  • mastiekten
 

O.v.t. (Past)

  • zal mastieken
  • zult mastieken
  • zal mastieken
  • zult mastieken
  • zult mastieken
  • zullen mastieken
  • zullen mastieken

O.t.t.t. (Future)

  • had gemastiekt
  • had gemastiekt
  • had gemastiekt
  • had gemastiekt
  • hadden gemastiekt
  • hadden gemastiekt
  • hadden gemastiekt
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemastiekt
  • hebt gemastiekt
  • heeft gemastiekt
  • hebt gemastiekt
  • hebben gemastiekt
  • hebben gemastiekt
  • hebben gemastiekt

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemastiekt hebben
  • zult gemastiekt hebben
  • zal gemastiekt hebben
  • zult gemastiekt hebben
  • zult gemastiekt hebben
  • zullen gemastiekt hebben
  • zullen gemastiekt hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemastiekt hebben
  • zou gemastiekt hebben
  • zou gemastiekt hebben
  • zou gemastiekt hebben
  • zouden gemastiekt hebben
  • zouden gemastiekt hebben
  • zouden gemastiekt hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemastiekt
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemastiekt
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemastiekt worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemastiekt worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemastiekt
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemastiekt
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemastiekt zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemastiekt zijn
  •