PASSO DA QUI
NL.png marineren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • marineren

O.t.t. (Present)

  • marineerde
  • marineerde
  • marineerde
  • marineerde
  • marineerden
  • marineerden
  • marineerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal marineren
  • zult marineren
  • zal marineren
  • zult marineren
  • zult marineren
  • zullen marineren
  • zullen marineren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemarineerd
  • had gemarineerd
  • had gemarineerd
  • had gemarineerd
  • hadden gemarineerd
  • hadden gemarineerd
  • hadden gemarineerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemarineerd
  • hebt gemarineerd
  • heeft gemarineerd
  • hebt gemarineerd
  • hebben gemarineerd
  • hebben gemarineerd
  • hebben gemarineerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemarineerd hebben
  • zult gemarineerd hebben
  • zal gemarineerd hebben
  • zult gemarineerd hebben
  • zult gemarineerd hebben
  • zullen gemarineerd hebben
  • zullen gemarineerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemarineerd hebben
  • zou gemarineerd hebben
  • zou gemarineerd hebben
  • zou gemarineerd hebben
  • zouden gemarineerd hebben
  • zouden gemarineerd hebben
  • zouden gemarineerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemarineerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemarineerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemarineerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemarineerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemarineerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemarineerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemarineerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemarineerd zijn
  •