PASSO DA QUI
NL.png marchanderen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • marchanderen

O.t.t. (Present)

  • marchandeerde
  • marchandeerde
  • marchandeerde
  • marchandeerde
  • marchandeerden
  • marchandeerden
  • marchandeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal marchanderen
  • zult marchanderen
  • zal marchanderen
  • zult marchanderen
  • zult marchanderen
  • zullen marchanderen
  • zullen marchanderen

O.t.t.t. (Future)

  • had gemarchandeerd
  • had gemarchandeerd
  • had gemarchandeerd
  • had gemarchandeerd
  • hadden gemarchandeerd
  • hadden gemarchandeerd
  • hadden gemarchandeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemarchandeerd
  • hebt gemarchandeerd
  • heeft gemarchandeerd
  • hebt gemarchandeerd
  • hebben gemarchandeerd
  • hebben gemarchandeerd
  • hebben gemarchandeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemarchandeerd hebben
  • zult gemarchandeerd hebben
  • zal gemarchandeerd hebben
  • zult gemarchandeerd hebben
  • zult gemarchandeerd hebben
  • zullen gemarchandeerd hebben
  • zullen gemarchandeerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemarchandeerd hebben
  • zou gemarchandeerd hebben
  • zou gemarchandeerd hebben
  • zou gemarchandeerd hebben
  • zouden gemarchandeerd hebben
  • zouden gemarchandeerd hebben
  • zouden gemarchandeerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •