PASSO DA QUI
NL.png manicuren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • manicuren

O.t.t. (Present)

  • manicuurde
  • manicuurde
  • manicuurde
  • manicuurde
  • manicuurden
  • manicuurden
  • manicuurden
 

O.v.t. (Past)

  • zal manicuren
  • zult manicuren
  • zal manicuren
  • zult manicuren
  • zult manicuren
  • zullen manicuren
  • zullen manicuren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemanicuurd
  • had gemanicuurd
  • had gemanicuurd
  • had gemanicuurd
  • hadden gemanicuurd
  • hadden gemanicuurd
  • hadden gemanicuurd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemanicuurd
  • hebt gemanicuurd
  • heeft gemanicuurd
  • hebt gemanicuurd
  • hebben gemanicuurd
  • hebben gemanicuurd
  • hebben gemanicuurd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemanicuurd hebben
  • zult gemanicuurd hebben
  • zal gemanicuurd hebben
  • zult gemanicuurd hebben
  • zult gemanicuurd hebben
  • zullen gemanicuurd hebben
  • zullen gemanicuurd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemanicuurd hebben
  • zou gemanicuurd hebben
  • zou gemanicuurd hebben
  • zou gemanicuurd hebben
  • zouden gemanicuurd hebben
  • zouden gemanicuurd hebben
  • zouden gemanicuurd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemanicuurd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemanicuurd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemanicuurd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemanicuurd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemanicuurd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemanicuurd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemanicuurd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemanicuurd zijn
  •