PASSO DA QUI
NL.png manen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • manen

O.t.t. (Present)

  • maande
  • maande
  • maande
  • maande
  • maanden
  • maanden
  • maanden
 

O.v.t. (Past)

  • zal manen
  • zult manen
  • zal manen
  • zult manen
  • zult manen
  • zullen manen
  • zullen manen

O.t.t.t. (Future)

  • had gemaand
  • had gemaand
  • had gemaand
  • had gemaand
  • hadden gemaand
  • hadden gemaand
  • hadden gemaand
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemaand
  • hebt gemaand
  • heeft gemaand
  • hebt gemaand
  • hebben gemaand
  • hebben gemaand
  • hebben gemaand

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemaand hebben
  • zult gemaand hebben
  • zal gemaand hebben
  • zult gemaand hebben
  • zult gemaand hebben
  • zullen gemaand hebben
  • zullen gemaand hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemaand hebben
  • zou gemaand hebben
  • zou gemaand hebben
  • zou gemaand hebben
  • zouden gemaand hebben
  • zouden gemaand hebben
  • zouden gemaand hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemaand
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemaand
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemaand worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemaand worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemaand
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemaand
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemaand zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemaand zijn
  •