PASSO DA QUI
NL.png maliën

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • maliën

O.t.t. (Present)

  • malie
  • malie
  • malie
  • malie
  • malien
  • malien
  • malien
 

O.v.t. (Past)

  • zal maliën
  • zult maliën
  • zal maliën
  • zult maliën
  • zult maliën
  • zullen maliën
  • zullen maliën

O.t.t.t. (Future)

  • had gemaliën
  • had gemaliën
  • had gemaliën
  • had gemaliën
  • hadden gemaliën
  • hadden gemaliën
  • hadden gemaliën
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemaliën
  • hebt gemaliën
  • heeft gemaliën
  • hebt gemaliën
  • hebben gemaliën
  • hebben gemaliën
  • hebben gemaliën

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemaliën hebben
  • zult gemaliën hebben
  • zal gemaliën hebben
  • zult gemaliën hebben
  • zult gemaliën hebben
  • zullen gemaliën hebben
  • zullen gemaliën hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemaliën hebben
  • zou gemaliën hebben
  • zou gemaliën hebben
  • zou gemaliën hebben
  • zouden gemaliën hebben
  • zouden gemaliën hebben
  • zouden gemaliën hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemaliën
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemaliën
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemaliën worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemaliën worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemaliën
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemaliën
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemaliën zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemaliën zijn
  •