PASSO DA QUI
NL.png majoreren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • majoreren

O.t.t. (Present)

  • majoreerde
  • majoreerde
  • majoreerde
  • majoreerde
  • majoreerden
  • majoreerden
  • majoreerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal majoreren
  • zult majoreren
  • zal majoreren
  • zult majoreren
  • zult majoreren
  • zullen majoreren
  • zullen majoreren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemajoreerd
  • had gemajoreerd
  • had gemajoreerd
  • had gemajoreerd
  • hadden gemajoreerd
  • hadden gemajoreerd
  • hadden gemajoreerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemajoreerd
  • hebt gemajoreerd
  • heeft gemajoreerd
  • hebt gemajoreerd
  • hebben gemajoreerd
  • hebben gemajoreerd
  • hebben gemajoreerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemajoreerd hebben
  • zult gemajoreerd hebben
  • zal gemajoreerd hebben
  • zult gemajoreerd hebben
  • zult gemajoreerd hebben
  • zullen gemajoreerd hebben
  • zullen gemajoreerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemajoreerd hebben
  • zou gemajoreerd hebben
  • zou gemajoreerd hebben
  • zou gemajoreerd hebben
  • zouden gemajoreerd hebben
  • zouden gemajoreerd hebben
  • zouden gemajoreerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •