PASSO DA QUI
NL.png maitriseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • maitriseren

O.t.t. (Present)

  • maitriseerde
  • maitriseerde
  • maitriseerde
  • maitriseerde
  • maitriseerden
  • maitriseerden
  • maitriseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal maitriseren
  • zult maitriseren
  • zal maitriseren
  • zult maitriseren
  • zult maitriseren
  • zullen maitriseren
  • zullen maitriseren

O.t.t.t. (Future)

  • had gemaitriseerd
  • had gemaitriseerd
  • had gemaitriseerd
  • had gemaitriseerd
  • hadden gemaitriseerd
  • hadden gemaitriseerd
  • hadden gemaitriseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemaitriseerd
  • hebt gemaitriseerd
  • heeft gemaitriseerd
  • hebt gemaitriseerd
  • hebben gemaitriseerd
  • hebben gemaitriseerd
  • hebben gemaitriseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemaitriseerd hebben
  • zult gemaitriseerd hebben
  • zal gemaitriseerd hebben
  • zult gemaitriseerd hebben
  • zult gemaitriseerd hebben
  • zullen gemaitriseerd hebben
  • zullen gemaitriseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemaitriseerd hebben
  • zou gemaitriseerd hebben
  • zou gemaitriseerd hebben
  • zou gemaitriseerd hebben
  • zouden gemaitriseerd hebben
  • zouden gemaitriseerd hebben
  • zouden gemaitriseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemaitriseerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemaitriseerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemaitriseerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemaitriseerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemaitriseerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemaitriseerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemaitriseerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemaitriseerd zijn
  •