PASSO DA QUI
NL.png maaltijden

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • maaltijden

O.t.t. (Present)

  • maaltijdde
  • maaltijdde
  • maaltijdde
  • maaltijdde
  • maaltijdden
  • maaltijdden
  • maaltijdden
 

O.v.t. (Past)

  • zal maaltijden
  • zult maaltijden
  • zal maaltijden
  • zult maaltijden
  • zult maaltijden
  • zullen maaltijden
  • zullen maaltijden

O.t.t.t. (Future)

  • had gemaaltijd
  • had gemaaltijd
  • had gemaaltijd
  • had gemaaltijd
  • hadden gemaaltijd
  • hadden gemaaltijd
  • hadden gemaaltijd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemaaltijd
  • hebt gemaaltijd
  • heeft gemaaltijd
  • hebt gemaaltijd
  • hebben gemaaltijd
  • hebben gemaaltijd
  • hebben gemaaltijd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemaaltijd hebben
  • zult gemaaltijd hebben
  • zal gemaaltijd hebben
  • zult gemaaltijd hebben
  • zult gemaaltijd hebben
  • zullen gemaaltijd hebben
  • zullen gemaaltijd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemaaltijd hebben
  • zou gemaaltijd hebben
  • zou gemaaltijd hebben
  • zou gemaaltijd hebben
  • zouden gemaaltijd hebben
  • zouden gemaaltijd hebben
  • zouden gemaaltijd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •