PASSO DA QUI
NL.png laurieren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • laurieren

O.t.t. (Present)

  • laurierde
  • laurierde
  • laurierde
  • laurierde
  • laurierden
  • laurierden
  • laurierden
 

O.v.t. (Past)

  • zal laurieren
  • zult laurieren
  • zal laurieren
  • zult laurieren
  • zult laurieren
  • zullen laurieren
  • zullen laurieren

O.t.t.t. (Future)

  • had gelaurierd
  • had gelaurierd
  • had gelaurierd
  • had gelaurierd
  • hadden gelaurierd
  • hadden gelaurierd
  • hadden gelaurierd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gelaurierd
  • hebt gelaurierd
  • heeft gelaurierd
  • hebt gelaurierd
  • hebben gelaurierd
  • hebben gelaurierd
  • hebben gelaurierd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gelaurierd hebben
  • zult gelaurierd hebben
  • zal gelaurierd hebben
  • zult gelaurierd hebben
  • zult gelaurierd hebben
  • zullen gelaurierd hebben
  • zullen gelaurierd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gelaurierd hebben
  • zou gelaurierd hebben
  • zou gelaurierd hebben
  • zou gelaurierd hebben
  • zouden gelaurierd hebben
  • zouden gelaurierd hebben
  • zouden gelaurierd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gelaurierd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gelaurierd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gelaurierd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gelaurierd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gelaurierd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gelaurierd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gelaurierd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gelaurierd zijn
  •