PASSO DA QUI
NL.png lasteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • lasteren

O.t.t. (Present)

  • lasterde
  • lasterde
  • lasterde
  • lasterde
  • lasterden
  • lasterden
  • lasterden
 

O.v.t. (Past)

  • zal lasteren
  • zult lasteren
  • zal lasteren
  • zult lasteren
  • zult lasteren
  • zullen lasteren
  • zullen lasteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gelasterd
  • had gelasterd
  • had gelasterd
  • had gelasterd
  • hadden gelasterd
  • hadden gelasterd
  • hadden gelasterd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gelasterd
  • hebt gelasterd
  • heeft gelasterd
  • hebt gelasterd
  • hebben gelasterd
  • hebben gelasterd
  • hebben gelasterd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gelasterd hebben
  • zult gelasterd hebben
  • zal gelasterd hebben
  • zult gelasterd hebben
  • zult gelasterd hebben
  • zullen gelasterd hebben
  • zullen gelasterd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gelasterd hebben
  • zou gelasterd hebben
  • zou gelasterd hebben
  • zou gelasterd hebben
  • zouden gelasterd hebben
  • zouden gelasterd hebben
  • zouden gelasterd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gelasterd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gelasterd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gelasterd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gelasterd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gelasterd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gelasterd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gelasterd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gelasterd zijn
  •