PASSO DA QUI
NL.png landen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • landen

O.t.t. (Present)

  • landde
  • landde
  • landde
  • landde
  • landden
  • landden
  • landden
 

O.v.t. (Past)

  • zal landen
  • zult landen
  • zal landen
  • zult landen
  • zult landen
  • zullen landen
  • zullen landen

O.t.t.t. (Future)

  • was geland
  • was geland
  • was geland
  • was geland
  • waren geland
  • waren geland
  • waren geland
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben geland
  • bent geland
  • is geland
  • bent geland
  • zijn geland
  • zijn geland
  • zijn geland

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal geland zijn
  • zult geland zijn
  • zal geland zijn
  • zult geland zijn
  • zult geland zijn
  • zullen geland zijn
  • zullen geland zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou geland zijn
  • zou geland zijn
  • zou geland zijn
  • zou geland zijn
  • zouden geland zijn
  • zouden geland zijn
  • zouden geland zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •