PASSO DA QUI
NL.png krijsen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • krijsen

O.t.t. (Present)

  • krijste
  • krijste
  • krijste
  • krijste
  • krijsten
  • krijsten
  • krijsten
 

O.v.t. (Past)

  • zal krijsen
  • zult krijsen
  • zal krijsen
  • zult krijsen
  • zult krijsen
  • zullen krijsen
  • zullen krijsen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekrijst
  • had gekrijst
  • had gekrijst
  • had gekrijst
  • hadden gekrijst
  • hadden gekrijst
  • hadden gekrijst
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekrijst
  • hebt gekrijst
  • heeft gekrijst
  • hebt gekrijst
  • hebben gekrijst
  • hebben gekrijst
  • hebben gekrijst

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekrijst hebben
  • zult gekrijst hebben
  • zal gekrijst hebben
  • zult gekrijst hebben
  • zult gekrijst hebben
  • zullen gekrijst hebben
  • zullen gekrijst hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekrijst hebben
  • zou gekrijst hebben
  • zou gekrijst hebben
  • zou gekrijst hebben
  • zouden gekrijst hebben
  • zouden gekrijst hebben
  • zouden gekrijst hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •