PASSO DA QUI
NL.png korrelen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • korrelen

O.t.t. (Present)

  • korrelde
  • korrelde
  • korrelde
  • korrelde
  • korrelden
  • korrelden
  • korrelden
 

O.v.t. (Past)

  • zal korrelen
  • zult korrelen
  • zal korrelen
  • zult korrelen
  • zult korrelen
  • zullen korrelen
  • zullen korrelen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekorreld
  • had gekorreld
  • had gekorreld
  • had gekorreld
  • hadden gekorreld
  • hadden gekorreld
  • hadden gekorreld
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekorreld
  • hebt gekorreld
  • heeft gekorreld
  • hebt gekorreld
  • hebben gekorreld
  • hebben gekorreld
  • hebben gekorreld

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekorreld hebben
  • zult gekorreld hebben
  • zal gekorreld hebben
  • zult gekorreld hebben
  • zult gekorreld hebben
  • zullen gekorreld hebben
  • zullen gekorreld hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekorreld hebben
  • zou gekorreld hebben
  • zou gekorreld hebben
  • zou gekorreld hebben
  • zouden gekorreld hebben
  • zouden gekorreld hebben
  • zouden gekorreld hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekorreld
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekorreld
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekorreld worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekorreld worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekorreld
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekorreld
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekorreld zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekorreld zijn
  •