PASSO DA QUI
NL.png komplotteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • komplotteren

O.t.t. (Present)

  • komplotteerde
  • komplotteerde
  • komplotteerde
  • komplotteerde
  • komplotteerden
  • komplotteerden
  • komplotteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal komplotteren
  • zult komplotteren
  • zal komplotteren
  • zult komplotteren
  • zult komplotteren
  • zullen komplotteren
  • zullen komplotteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekomplotteerd
  • had gekomplotteerd
  • had gekomplotteerd
  • had gekomplotteerd
  • hadden gekomplotteerd
  • hadden gekomplotteerd
  • hadden gekomplotteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekomplotteerd
  • hebt gekomplotteerd
  • heeft gekomplotteerd
  • hebt gekomplotteerd
  • hebben gekomplotteerd
  • hebben gekomplotteerd
  • hebben gekomplotteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekomplotteerd hebben
  • zult gekomplotteerd hebben
  • zal gekomplotteerd hebben
  • zult gekomplotteerd hebben
  • zult gekomplotteerd hebben
  • zullen gekomplotteerd hebben
  • zullen gekomplotteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekomplotteerd hebben
  • zou gekomplotteerd hebben
  • zou gekomplotteerd hebben
  • zou gekomplotteerd hebben
  • zouden gekomplotteerd hebben
  • zouden gekomplotteerd hebben
  • zouden gekomplotteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •