PASSO DA QUI
NL.png kokken

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kokken

O.t.t. (Present)

  • kokte
  • kokte
  • kokte
  • kokte
  • kokten
  • kokten
  • kokten
 

O.v.t. (Past)

  • zal kokken
  • zult kokken
  • zal kokken
  • zult kokken
  • zult kokken
  • zullen kokken
  • zullen kokken

O.t.t.t. (Future)

  • had gekokt
  • had gekokt
  • had gekokt
  • had gekokt
  • hadden gekokt
  • hadden gekokt
  • hadden gekokt
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekokt
  • hebt gekokt
  • heeft gekokt
  • hebt gekokt
  • hebben gekokt
  • hebben gekokt
  • hebben gekokt

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekokt hebben
  • zult gekokt hebben
  • zal gekokt hebben
  • zult gekokt hebben
  • zult gekokt hebben
  • zullen gekokt hebben
  • zullen gekokt hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekokt hebben
  • zou gekokt hebben
  • zou gekokt hebben
  • zou gekokt hebben
  • zouden gekokt hebben
  • zouden gekokt hebben
  • zouden gekokt hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •