PASSO DA QUI
NL.png koketteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • koketteren

O.t.t. (Present)

  • koketteerde
  • koketteerde
  • koketteerde
  • koketteerde
  • koketteerden
  • koketteerden
  • koketteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal koketteren
  • zult koketteren
  • zal koketteren
  • zult koketteren
  • zult koketteren
  • zullen koketteren
  • zullen koketteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekoketteerd
  • had gekoketteerd
  • had gekoketteerd
  • had gekoketteerd
  • hadden gekoketteerd
  • hadden gekoketteerd
  • hadden gekoketteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekoketteerd
  • hebt gekoketteerd
  • heeft gekoketteerd
  • hebt gekoketteerd
  • hebben gekoketteerd
  • hebben gekoketteerd
  • hebben gekoketteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekoketteerd hebben
  • zult gekoketteerd hebben
  • zal gekoketteerd hebben
  • zult gekoketteerd hebben
  • zult gekoketteerd hebben
  • zullen gekoketteerd hebben
  • zullen gekoketteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekoketteerd hebben
  • zou gekoketteerd hebben
  • zou gekoketteerd hebben
  • zou gekoketteerd hebben
  • zouden gekoketteerd hebben
  • zouden gekoketteerd hebben
  • zouden gekoketteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •