PASSO DA QUI
NL.png koesteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • koesteren

O.t.t. (Present)

  • koesterde
  • koesterde
  • koesterde
  • koesterde
  • koesterden
  • koesterden
  • koesterden
 

O.v.t. (Past)

  • zal koesteren
  • zult koesteren
  • zal koesteren
  • zult koesteren
  • zult koesteren
  • zullen koesteren
  • zullen koesteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekoesterd
  • had gekoesterd
  • had gekoesterd
  • had gekoesterd
  • hadden gekoesterd
  • hadden gekoesterd
  • hadden gekoesterd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekoesterd
  • hebt gekoesterd
  • heeft gekoesterd
  • hebt gekoesterd
  • hebben gekoesterd
  • hebben gekoesterd
  • hebben gekoesterd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekoesterd hebben
  • zult gekoesterd hebben
  • zal gekoesterd hebben
  • zult gekoesterd hebben
  • zult gekoesterd hebben
  • zullen gekoesterd hebben
  • zullen gekoesterd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekoesterd hebben
  • zou gekoesterd hebben
  • zou gekoesterd hebben
  • zou gekoesterd hebben
  • zouden gekoesterd hebben
  • zouden gekoesterd hebben
  • zouden gekoesterd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekoesterd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekoesterd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekoesterd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekoesterd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekoesterd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekoesterd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekoesterd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekoesterd zijn
  •