PASSO DA QUI
NL.png koersen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • koersen

O.t.t. (Present)

  • koerste
  • koerste
  • koerste
  • koerste
  • koersten
  • koersten
  • koersten
 

O.v.t. (Past)

  • zal koersen
  • zult koersen
  • zal koersen
  • zult koersen
  • zult koersen
  • zullen koersen
  • zullen koersen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekoerst
  • had gekoerst
  • had gekoerst
  • had gekoerst
  • hadden gekoerst
  • hadden gekoerst
  • hadden gekoerst
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekoerst
  • hebt gekoerst
  • heeft gekoerst
  • hebt gekoerst
  • hebben gekoerst
  • hebben gekoerst
  • hebben gekoerst

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekoerst hebben
  • zult gekoerst hebben
  • zal gekoerst hebben
  • zult gekoerst hebben
  • zult gekoerst hebben
  • zullen gekoerst hebben
  • zullen gekoerst hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekoerst hebben
  • zou gekoerst hebben
  • zou gekoerst hebben
  • zou gekoerst hebben
  • zouden gekoerst hebben
  • zouden gekoerst hebben
  • zouden gekoerst hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekoerst
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekoerst
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekoerst worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekoerst worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekoerst
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekoerst
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekoerst zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekoerst zijn
  •