PASSO DA QUI
NL.png knooien

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • knooien

O.t.t. (Present)

  • knooide
  • knooide
  • knooide
  • knooide
  • knooiden
  • knooiden
  • knooiden
 

O.v.t. (Past)

  • zal knooien
  • zult knooien
  • zal knooien
  • zult knooien
  • zult knooien
  • zullen knooien
  • zullen knooien

O.t.t.t. (Future)

  • had geknooid
  • had geknooid
  • had geknooid
  • had geknooid
  • hadden geknooid
  • hadden geknooid
  • hadden geknooid
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb geknooid
  • hebt geknooid
  • heeft geknooid
  • hebt geknooid
  • hebben geknooid
  • hebben geknooid
  • hebben geknooid

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal geknooid hebben
  • zult geknooid hebben
  • zal geknooid hebben
  • zult geknooid hebben
  • zult geknooid hebben
  • zullen geknooid hebben
  • zullen geknooid hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou geknooid hebben
  • zou geknooid hebben
  • zou geknooid hebben
  • zou geknooid hebben
  • zouden geknooid hebben
  • zouden geknooid hebben
  • zouden geknooid hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •