PASSO DA QUI
NL.png knisteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • knisteren

O.t.t. (Present)

  • knisterde
  • knisterde
  • knisterde
  • knisterde
  • knisterden
  • knisterden
  • knisterden
 

O.v.t. (Past)

  • zal knisteren
  • zult knisteren
  • zal knisteren
  • zult knisteren
  • zult knisteren
  • zullen knisteren
  • zullen knisteren

O.t.t.t. (Future)

  • had geknisterd
  • had geknisterd
  • had geknisterd
  • had geknisterd
  • hadden geknisterd
  • hadden geknisterd
  • hadden geknisterd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb geknisterd
  • hebt geknisterd
  • heeft geknisterd
  • hebt geknisterd
  • hebben geknisterd
  • hebben geknisterd
  • hebben geknisterd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal geknisterd hebben
  • zult geknisterd hebben
  • zal geknisterd hebben
  • zult geknisterd hebben
  • zult geknisterd hebben
  • zullen geknisterd hebben
  • zullen geknisterd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou geknisterd hebben
  • zou geknisterd hebben
  • zou geknisterd hebben
  • zou geknisterd hebben
  • zouden geknisterd hebben
  • zouden geknisterd hebben
  • zouden geknisterd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •