NL.png knechten

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • knechten

O.t.t. (Present)

  • knechtte
  • knechtte
  • knechtte
  • knechtte
  • knechtten
  • knechtten
  • knechtten
 

O.v.t. (Past)

  • zal knechten
  • zult knechten
  • zal knechten
  • zult knechten
  • zult knechten
  • zullen knechten
  • zullen knechten

O.t.t.t. (Future)

  • had geknecht
  • had geknecht
  • had geknecht
  • had geknecht
  • hadden geknecht
  • hadden geknecht
  • hadden geknecht
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb geknecht
  • hebt geknecht
  • heeft geknecht
  • hebt geknecht
  • hebben geknecht
  • hebben geknecht
  • hebben geknecht

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal geknecht hebben
  • zult geknecht hebben
  • zal geknecht hebben
  • zult geknecht hebben
  • zult geknecht hebben
  • zullen geknecht hebben
  • zullen geknecht hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou geknecht hebben
  • zou geknecht hebben
  • zou geknecht hebben
  • zou geknecht hebben
  • zouden geknecht hebben
  • zouden geknecht hebben
  • zouden geknecht hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden geknecht
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden geknecht
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen geknecht worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden geknecht worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn geknecht
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was geknecht
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen geknecht zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden geknecht zijn
  •