PASSO DA QUI
NL.png kentekenen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kentekenen

O.t.t. (Present)

  • kentekende
  • kentekende
  • kentekende
  • kentekende
  • kentekenden
  • kentekenden
  • kentekenden
 

O.v.t. (Past)

  • zal kentekenen
  • zult kentekenen
  • zal kentekenen
  • zult kentekenen
  • zult kentekenen
  • zullen kentekenen
  • zullen kentekenen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekentekend
  • had gekentekend
  • had gekentekend
  • had gekentekend
  • hadden gekentekend
  • hadden gekentekend
  • hadden gekentekend
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekentekend
  • hebt gekentekend
  • heeft gekentekend
  • hebt gekentekend
  • hebben gekentekend
  • hebben gekentekend
  • hebben gekentekend

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekentekend hebben
  • zult gekentekend hebben
  • zal gekentekend hebben
  • zult gekentekend hebben
  • zult gekentekend hebben
  • zullen gekentekend hebben
  • zullen gekentekend hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekentekend hebben
  • zou gekentekend hebben
  • zou gekentekend hebben
  • zou gekentekend hebben
  • zouden gekentekend hebben
  • zouden gekentekend hebben
  • zouden gekentekend hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekentekend
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekentekend
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekentekend worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekentekend worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekentekend
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekentekend
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekentekend zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekentekend zijn
  •