PASSO DA QUI
NL.png katsen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • katsen

O.t.t. (Present)

  • katste
  • katste
  • katste
  • katste
  • katsten
  • katsten
  • katsten
 

O.v.t. (Past)

  • zal katsen
  • zult katsen
  • zal katsen
  • zult katsen
  • zult katsen
  • zullen katsen
  • zullen katsen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekatst
  • had gekatst
  • had gekatst
  • had gekatst
  • hadden gekatst
  • hadden gekatst
  • hadden gekatst
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekatst
  • hebt gekatst
  • heeft gekatst
  • hebt gekatst
  • hebben gekatst
  • hebben gekatst
  • hebben gekatst

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekatst hebben
  • zult gekatst hebben
  • zal gekatst hebben
  • zult gekatst hebben
  • zult gekatst hebben
  • zullen gekatst hebben
  • zullen gekatst hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekatst hebben
  • zou gekatst hebben
  • zou gekatst hebben
  • zou gekatst hebben
  • zouden gekatst hebben
  • zouden gekatst hebben
  • zouden gekatst hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •