PASSO DA QUI
NL.png katoliseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • katoliseren

O.t.t. (Present)

  • katoliseerde
  • katoliseerde
  • katoliseerde
  • katoliseerde
  • katoliseerden
  • katoliseerden
  • katoliseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal katoliseren
  • zult katoliseren
  • zal katoliseren
  • zult katoliseren
  • zult katoliseren
  • zullen katoliseren
  • zullen katoliseren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekatoliseerd
  • had gekatoliseerd
  • had gekatoliseerd
  • had gekatoliseerd
  • hadden gekatoliseerd
  • hadden gekatoliseerd
  • hadden gekatoliseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekatoliseerd
  • hebt gekatoliseerd
  • heeft gekatoliseerd
  • hebt gekatoliseerd
  • hebben gekatoliseerd
  • hebben gekatoliseerd
  • hebben gekatoliseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekatoliseerd hebben
  • zult gekatoliseerd hebben
  • zal gekatoliseerd hebben
  • zult gekatoliseerd hebben
  • zult gekatoliseerd hebben
  • zullen gekatoliseerd hebben
  • zullen gekatoliseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekatoliseerd hebben
  • zou gekatoliseerd hebben
  • zou gekatoliseerd hebben
  • zou gekatoliseerd hebben
  • zouden gekatoliseerd hebben
  • zouden gekatoliseerd hebben
  • zouden gekatoliseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •