PASSO DA QUI
NL.png kasteleinen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kasteleinen

O.t.t. (Present)

  • kasteleinde
  • kasteleinde
  • kasteleinde
  • kasteleinde
  • kasteleinden
  • kasteleinden
  • kasteleinden
 

O.v.t. (Past)

  • zal kasteleinen
  • zult kasteleinen
  • zal kasteleinen
  • zult kasteleinen
  • zult kasteleinen
  • zullen kasteleinen
  • zullen kasteleinen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekasteleind
  • had gekasteleind
  • had gekasteleind
  • had gekasteleind
  • hadden gekasteleind
  • hadden gekasteleind
  • hadden gekasteleind
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekasteleind
  • hebt gekasteleind
  • heeft gekasteleind
  • hebt gekasteleind
  • hebben gekasteleind
  • hebben gekasteleind
  • hebben gekasteleind

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekasteleind hebben
  • zult gekasteleind hebben
  • zal gekasteleind hebben
  • zult gekasteleind hebben
  • zult gekasteleind hebben
  • zullen gekasteleind hebben
  • zullen gekasteleind hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekasteleind hebben
  • zou gekasteleind hebben
  • zou gekasteleind hebben
  • zou gekasteleind hebben
  • zouden gekasteleind hebben
  • zouden gekasteleind hebben
  • zouden gekasteleind hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •