PASSO DA QUI
NL.png kasseien

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kasseien

O.t.t. (Present)

  • kasseide
  • kasseide
  • kasseide
  • kasseide
  • kasseiden
  • kasseiden
  • kasseiden
 

O.v.t. (Past)

  • zal kasseien
  • zult kasseien
  • zal kasseien
  • zult kasseien
  • zult kasseien
  • zullen kasseien
  • zullen kasseien

O.t.t.t. (Future)

  • had gekasseid
  • had gekasseid
  • had gekasseid
  • had gekasseid
  • hadden gekasseid
  • hadden gekasseid
  • hadden gekasseid
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekasseid
  • hebt gekasseid
  • heeft gekasseid
  • hebt gekasseid
  • hebben gekasseid
  • hebben gekasseid
  • hebben gekasseid

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekasseid hebben
  • zult gekasseid hebben
  • zal gekasseid hebben
  • zult gekasseid hebben
  • zult gekasseid hebben
  • zullen gekasseid hebben
  • zullen gekasseid hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekasseid hebben
  • zou gekasseid hebben
  • zou gekasseid hebben
  • zou gekasseid hebben
  • zouden gekasseid hebben
  • zouden gekasseid hebben
  • zouden gekasseid hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekasseid
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekasseid
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekasseid worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekasseid worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekasseid
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekasseid
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekasseid zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekasseid zijn
  •