PASSO DA QUI
NL.png karteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • karteren

O.t.t. (Present)

  • karteerde
  • karteerde
  • karteerde
  • karteerde
  • karteerden
  • karteerden
  • karteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal karteren
  • zult karteren
  • zal karteren
  • zult karteren
  • zult karteren
  • zullen karteren
  • zullen karteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekarteerd
  • had gekarteerd
  • had gekarteerd
  • had gekarteerd
  • hadden gekarteerd
  • hadden gekarteerd
  • hadden gekarteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekarteerd
  • hebt gekarteerd
  • heeft gekarteerd
  • hebt gekarteerd
  • hebben gekarteerd
  • hebben gekarteerd
  • hebben gekarteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekarteerd hebben
  • zult gekarteerd hebben
  • zal gekarteerd hebben
  • zult gekarteerd hebben
  • zult gekarteerd hebben
  • zullen gekarteerd hebben
  • zullen gekarteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekarteerd hebben
  • zou gekarteerd hebben
  • zou gekarteerd hebben
  • zou gekarteerd hebben
  • zouden gekarteerd hebben
  • zouden gekarteerd hebben
  • zouden gekarteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekarteerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekarteerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekarteerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekarteerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekarteerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekarteerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekarteerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekarteerd zijn
  •