PASSO DA QUI
NL.png karakteriseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • karakteriseren

O.t.t. (Present)

  • karakteriseerde
  • karakteriseerde
  • karakteriseerde
  • karakteriseerde
  • karakteriseerden
  • karakteriseerden
  • karakteriseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal karakteriseren
  • zult karakteriseren
  • zal karakteriseren
  • zult karakteriseren
  • zult karakteriseren
  • zullen karakteriseren
  • zullen karakteriseren

O.t.t.t. (Future)

  • had gekarakteriseerd
  • had gekarakteriseerd
  • had gekarakteriseerd
  • had gekarakteriseerd
  • hadden gekarakteriseerd
  • hadden gekarakteriseerd
  • hadden gekarakteriseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekarakteriseerd
  • hebt gekarakteriseerd
  • heeft gekarakteriseerd
  • hebt gekarakteriseerd
  • hebben gekarakteriseerd
  • hebben gekarakteriseerd
  • hebben gekarakteriseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekarakteriseerd hebben
  • zult gekarakteriseerd hebben
  • zal gekarakteriseerd hebben
  • zult gekarakteriseerd hebben
  • zult gekarakteriseerd hebben
  • zullen gekarakteriseerd hebben
  • zullen gekarakteriseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekarakteriseerd hebben
  • zou gekarakteriseerd hebben
  • zou gekarakteriseerd hebben
  • zou gekarakteriseerd hebben
  • zouden gekarakteriseerd hebben
  • zouden gekarakteriseerd hebben
  • zouden gekarakteriseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gekarakteriseerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gekarakteriseerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gekarakteriseerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gekarakteriseerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gekarakteriseerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gekarakteriseerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gekarakteriseerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gekarakteriseerd zijn
  •