PASSO DA QUI
NL.png kamperen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kamperen

O.t.t. (Present)

  • kampeerde
  • kampeerde
  • kampeerde
  • kampeerde
  • kampeerden
  • kampeerden
  • kampeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal kamperen
  • zult kamperen
  • zal kamperen
  • zult kamperen
  • zult kamperen
  • zullen kamperen
  • zullen kamperen

O.t.t.t. (Future)

  • had gekampeerd
  • had gekampeerd
  • had gekampeerd
  • had gekampeerd
  • hadden gekampeerd
  • hadden gekampeerd
  • hadden gekampeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gekampeerd
  • hebt gekampeerd
  • heeft gekampeerd
  • hebt gekampeerd
  • hebben gekampeerd
  • hebben gekampeerd
  • hebben gekampeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekampeerd hebben
  • zult gekampeerd hebben
  • zal gekampeerd hebben
  • zult gekampeerd hebben
  • zult gekampeerd hebben
  • zullen gekampeerd hebben
  • zullen gekampeerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekampeerd hebben
  • zou gekampeerd hebben
  • zou gekampeerd hebben
  • zou gekampeerd hebben
  • zouden gekampeerd hebben
  • zouden gekampeerd hebben
  • zouden gekampeerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •