PASSO DA QUI
NL.png kalmeren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • kalmeren

O.t.t. (Present)

  • kalmeerde
  • kalmeerde
  • kalmeerde
  • kalmeerde
  • kalmeerden
  • kalmeerden
  • kalmeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal kalmeren
  • zult kalmeren
  • zal kalmeren
  • zult kalmeren
  • zult kalmeren
  • zullen kalmeren
  • zullen kalmeren

O.t.t.t. (Future)

  • was gekalmeerd
  • was gekalmeerd
  • was gekalmeerd
  • was gekalmeerd
  • waren gekalmeerd
  • waren gekalmeerd
  • waren gekalmeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben gekalmeerd
  • bent gekalmeerd
  • is gekalmeerd
  • bent gekalmeerd
  • zijn gekalmeerd
  • zijn gekalmeerd
  • zijn gekalmeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gekalmeerd zijn
  • zult gekalmeerd zijn
  • zal gekalmeerd zijn
  • zult gekalmeerd zijn
  • zult gekalmeerd zijn
  • zullen gekalmeerd zijn
  • zullen gekalmeerd zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gekalmeerd zijn
  • zou gekalmeerd zijn
  • zou gekalmeerd zijn
  • zou gekalmeerd zijn
  • zouden gekalmeerd zijn
  • zouden gekalmeerd zijn
  • zouden gekalmeerd zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •