PASSO DA QUI
NL.png deporteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • deporteren

O.t.t. (Present)

  • deporteerde
  • deporteerde
  • deporteerde
  • deporteerde
  • deporteerden
  • deporteerden
  • deporteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal deporteren
  • zult deporteren
  • zal deporteren
  • zult deporteren
  • zult deporteren
  • zullen deporteren
  • zullen deporteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedeporteerd
  • had gedeporteerd
  • had gedeporteerd
  • had gedeporteerd
  • hadden gedeporteerd
  • hadden gedeporteerd
  • hadden gedeporteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedeporteerd
  • hebt gedeporteerd
  • heeft gedeporteerd
  • hebt gedeporteerd
  • hebben gedeporteerd
  • hebben gedeporteerd
  • hebben gedeporteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedeporteerd hebben
  • zult gedeporteerd hebben
  • zal gedeporteerd hebben
  • zult gedeporteerd hebben
  • zult gedeporteerd hebben
  • zullen gedeporteerd hebben
  • zullen gedeporteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedeporteerd hebben
  • zou gedeporteerd hebben
  • zou gedeporteerd hebben
  • zou gedeporteerd hebben
  • zouden gedeporteerd hebben
  • zouden gedeporteerd hebben
  • zouden gedeporteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedeporteerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedeporteerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedeporteerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedeporteerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedeporteerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedeporteerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedeporteerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedeporteerd zijn
  •