PASSO DA QUI
NL.png depasseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • depasseren

O.t.t. (Present)

  • depasseerde
  • depasseerde
  • depasseerde
  • depasseerde
  • depasseerden
  • depasseerden
  • depasseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal depasseren
  • zult depasseren
  • zal depasseren
  • zult depasseren
  • zult depasseren
  • zullen depasseren
  • zullen depasseren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedepasseerd
  • had gedepasseerd
  • had gedepasseerd
  • had gedepasseerd
  • hadden gedepasseerd
  • hadden gedepasseerd
  • hadden gedepasseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedepasseerd
  • hebt gedepasseerd
  • heeft gedepasseerd
  • hebt gedepasseerd
  • hebben gedepasseerd
  • hebben gedepasseerd
  • hebben gedepasseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedepasseerd hebben
  • zult gedepasseerd hebben
  • zal gedepasseerd hebben
  • zult gedepasseerd hebben
  • zult gedepasseerd hebben
  • zullen gedepasseerd hebben
  • zullen gedepasseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedepasseerd hebben
  • zou gedepasseerd hebben
  • zou gedepasseerd hebben
  • zou gedepasseerd hebben
  • zouden gedepasseerd hebben
  • zouden gedepasseerd hebben
  • zouden gedepasseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedepasseerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedepasseerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedepasseerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedepasseerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedepasseerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedepasseerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedepasseerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedepasseerd zijn
  •