PASSO DA QUI
NL.png denaturaliseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • denaturaliseren

O.t.t. (Present)

  • denaturaliseerde
  • denaturaliseerde
  • denaturaliseerde
  • denaturaliseerde
  • denaturaliseerden
  • denaturaliseerden
  • denaturaliseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal denaturaliseren
  • zult denaturaliseren
  • zal denaturaliseren
  • zult denaturaliseren
  • zult denaturaliseren
  • zullen denaturaliseren
  • zullen denaturaliseren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedenaturaliseerd
  • had gedenaturaliseerd
  • had gedenaturaliseerd
  • had gedenaturaliseerd
  • hadden gedenaturaliseerd
  • hadden gedenaturaliseerd
  • hadden gedenaturaliseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedenaturaliseerd
  • hebt gedenaturaliseerd
  • heeft gedenaturaliseerd
  • hebt gedenaturaliseerd
  • hebben gedenaturaliseerd
  • hebben gedenaturaliseerd
  • hebben gedenaturaliseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedenaturaliseerd hebben
  • zult gedenaturaliseerd hebben
  • zal gedenaturaliseerd hebben
  • zult gedenaturaliseerd hebben
  • zult gedenaturaliseerd hebben
  • zullen gedenaturaliseerd hebben
  • zullen gedenaturaliseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedenaturaliseerd hebben
  • zou gedenaturaliseerd hebben
  • zou gedenaturaliseerd hebben
  • zou gedenaturaliseerd hebben
  • zouden gedenaturaliseerd hebben
  • zouden gedenaturaliseerd hebben
  • zouden gedenaturaliseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedenaturaliseerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedenaturaliseerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedenaturaliseerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedenaturaliseerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedenaturaliseerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedenaturaliseerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedenaturaliseerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedenaturaliseerd zijn
  •