PASSO DA QUI
NL.png denatureren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • denatureren

O.t.t. (Present)

  • denatureerde
  • denatureerde
  • denatureerde
  • denatureerde
  • denatureerden
  • denatureerden
  • denatureerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal denatureren
  • zult denatureren
  • zal denatureren
  • zult denatureren
  • zult denatureren
  • zullen denatureren
  • zullen denatureren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedenatureerd
  • had gedenatureerd
  • had gedenatureerd
  • had gedenatureerd
  • hadden gedenatureerd
  • hadden gedenatureerd
  • hadden gedenatureerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedenatureerd
  • hebt gedenatureerd
  • heeft gedenatureerd
  • hebt gedenatureerd
  • hebben gedenatureerd
  • hebben gedenatureerd
  • hebben gedenatureerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedenatureerd hebben
  • zult gedenatureerd hebben
  • zal gedenatureerd hebben
  • zult gedenatureerd hebben
  • zult gedenatureerd hebben
  • zullen gedenatureerd hebben
  • zullen gedenatureerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedenatureerd hebben
  • zou gedenatureerd hebben
  • zou gedenatureerd hebben
  • zou gedenatureerd hebben
  • zouden gedenatureerd hebben
  • zouden gedenatureerd hebben
  • zouden gedenatureerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedenatureerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedenatureerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedenatureerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedenatureerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedenatureerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedenatureerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedenatureerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedenatureerd zijn
  •