PASSO DA QUI
NL.png demitteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • demitteren

O.t.t. (Present)

  • demitteerde
  • demitteerde
  • demitteerde
  • demitteerde
  • demitteerden
  • demitteerden
  • demitteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal demitteren
  • zult demitteren
  • zal demitteren
  • zult demitteren
  • zult demitteren
  • zullen demitteren
  • zullen demitteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedemitteerd
  • had gedemitteerd
  • had gedemitteerd
  • had gedemitteerd
  • hadden gedemitteerd
  • hadden gedemitteerd
  • hadden gedemitteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedemitteerd
  • hebt gedemitteerd
  • heeft gedemitteerd
  • hebt gedemitteerd
  • hebben gedemitteerd
  • hebben gedemitteerd
  • hebben gedemitteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedemitteerd hebben
  • zult gedemitteerd hebben
  • zal gedemitteerd hebben
  • zult gedemitteerd hebben
  • zult gedemitteerd hebben
  • zullen gedemitteerd hebben
  • zullen gedemitteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedemitteerd hebben
  • zou gedemitteerd hebben
  • zou gedemitteerd hebben
  • zou gedemitteerd hebben
  • zouden gedemitteerd hebben
  • zouden gedemitteerd hebben
  • zouden gedemitteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedemitteerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedemitteerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedemitteerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedemitteerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedemitteerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedemitteerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedemitteerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedemitteerd zijn
  •