PASSO DA QUI
NL.png dementeren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • dementeren

O.t.t. (Present)

  • dementeerde
  • dementeerde
  • dementeerde
  • dementeerde
  • dementeerden
  • dementeerden
  • dementeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal dementeren
  • zult dementeren
  • zal dementeren
  • zult dementeren
  • zult dementeren
  • zullen dementeren
  • zullen dementeren

O.t.t.t. (Future)

  • was gedementeerd
  • was gedementeerd
  • was gedementeerd
  • was gedementeerd
  • waren gedementeerd
  • waren gedementeerd
  • waren gedementeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben gedementeerd
  • bent gedementeerd
  • is gedementeerd
  • bent gedementeerd
  • zijn gedementeerd
  • zijn gedementeerd
  • zijn gedementeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedementeerd zijn
  • zult gedementeerd zijn
  • zal gedementeerd zijn
  • zult gedementeerd zijn
  • zult gedementeerd zijn
  • zullen gedementeerd zijn
  • zullen gedementeerd zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedementeerd zijn
  • zou gedementeerd zijn
  • zou gedementeerd zijn
  • zou gedementeerd zijn
  • zouden gedementeerd zijn
  • zouden gedementeerd zijn
  • zouden gedementeerd zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •