PASSO DA QUI
NL.png demarreren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • demarreren

O.t.t. (Present)

  • demarreerde
  • demarreerde
  • demarreerde
  • demarreerde
  • demarreerden
  • demarreerden
  • demarreerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal demarreren
  • zult demarreren
  • zal demarreren
  • zult demarreren
  • zult demarreren
  • zullen demarreren
  • zullen demarreren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedemarreerd
  • had gedemarreerd
  • had gedemarreerd
  • had gedemarreerd
  • hadden gedemarreerd
  • hadden gedemarreerd
  • hadden gedemarreerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedemarreerd
  • hebt gedemarreerd
  • heeft gedemarreerd
  • hebt gedemarreerd
  • hebben gedemarreerd
  • hebben gedemarreerd
  • hebben gedemarreerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedemarreerd hebben
  • zult gedemarreerd hebben
  • zal gedemarreerd hebben
  • zult gedemarreerd hebben
  • zult gedemarreerd hebben
  • zullen gedemarreerd hebben
  • zullen gedemarreerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedemarreerd hebben
  • zou gedemarreerd hebben
  • zou gedemarreerd hebben
  • zou gedemarreerd hebben
  • zouden gedemarreerd hebben
  • zouden gedemarreerd hebben
  • zouden gedemarreerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •