PASSO DA QUI
NL.png delireren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • delireren

O.t.t. (Present)

  • delireerde
  • delireerde
  • delireerde
  • delireerde
  • delireerden
  • delireerden
  • delireerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal delireren
  • zult delireren
  • zal delireren
  • zult delireren
  • zult delireren
  • zullen delireren
  • zullen delireren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedelireerd
  • had gedelireerd
  • had gedelireerd
  • had gedelireerd
  • hadden gedelireerd
  • hadden gedelireerd
  • hadden gedelireerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedelireerd
  • hebt gedelireerd
  • heeft gedelireerd
  • hebt gedelireerd
  • hebben gedelireerd
  • hebben gedelireerd
  • hebben gedelireerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedelireerd hebben
  • zult gedelireerd hebben
  • zal gedelireerd hebben
  • zult gedelireerd hebben
  • zult gedelireerd hebben
  • zullen gedelireerd hebben
  • zullen gedelireerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedelireerd hebben
  • zou gedelireerd hebben
  • zou gedelireerd hebben
  • zou gedelireerd hebben
  • zouden gedelireerd hebben
  • zouden gedelireerd hebben
  • zouden gedelireerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •