PASSO DA QUI
NL.png deformeren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • deformeren

O.t.t. (Present)

  • deformeerde
  • deformeerde
  • deformeerde
  • deformeerde
  • deformeerden
  • deformeerden
  • deformeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal deformeren
  • zult deformeren
  • zal deformeren
  • zult deformeren
  • zult deformeren
  • zullen deformeren
  • zullen deformeren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedeformeerd
  • had gedeformeerd
  • had gedeformeerd
  • had gedeformeerd
  • hadden gedeformeerd
  • hadden gedeformeerd
  • hadden gedeformeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedeformeerd
  • hebt gedeformeerd
  • heeft gedeformeerd
  • hebt gedeformeerd
  • hebben gedeformeerd
  • hebben gedeformeerd
  • hebben gedeformeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedeformeerd hebben
  • zult gedeformeerd hebben
  • zal gedeformeerd hebben
  • zult gedeformeerd hebben
  • zult gedeformeerd hebben
  • zullen gedeformeerd hebben
  • zullen gedeformeerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedeformeerd hebben
  • zou gedeformeerd hebben
  • zou gedeformeerd hebben
  • zou gedeformeerd hebben
  • zouden gedeformeerd hebben
  • zouden gedeformeerd hebben
  • zouden gedeformeerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedeformeerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedeformeerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedeformeerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedeformeerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedeformeerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedeformeerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedeformeerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedeformeerd zijn
  •