PASSO DA QUI
NL.png defibrilleren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • defibrilleren

O.t.t. (Present)

  • defibrilleerde
  • defibrilleerde
  • defibrilleerde
  • defibrilleerde
  • defibrilleerden
  • defibrilleerden
  • defibrilleerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal defibrilleren
  • zult defibrilleren
  • zal defibrilleren
  • zult defibrilleren
  • zult defibrilleren
  • zullen defibrilleren
  • zullen defibrilleren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedefibrilleerd
  • had gedefibrilleerd
  • had gedefibrilleerd
  • had gedefibrilleerd
  • hadden gedefibrilleerd
  • hadden gedefibrilleerd
  • hadden gedefibrilleerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedefibrilleerd
  • hebt gedefibrilleerd
  • heeft gedefibrilleerd
  • hebt gedefibrilleerd
  • hebben gedefibrilleerd
  • hebben gedefibrilleerd
  • hebben gedefibrilleerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedefibrilleerd hebben
  • zult gedefibrilleerd hebben
  • zal gedefibrilleerd hebben
  • zult gedefibrilleerd hebben
  • zult gedefibrilleerd hebben
  • zullen gedefibrilleerd hebben
  • zullen gedefibrilleerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedefibrilleerd hebben
  • zou gedefibrilleerd hebben
  • zou gedefibrilleerd hebben
  • zou gedefibrilleerd hebben
  • zouden gedefibrilleerd hebben
  • zouden gedefibrilleerd hebben
  • zouden gedefibrilleerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •